Waarmee kunnen wij u helpen?

    Artikel

    PAS op de plaats

  • NL
  • Oorspronkelijk werd de bescherming van de natuurgebieden geregeld door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De regels uit deze richtlijnen zijn inmiddels geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. De vraag is nu of Nederland de regels over stikstofdepositie wel richtlijn conform heeft geïmplementeerd.

    De Europese Unie heeft een netwerk aangewezen van de meest waardevolle Europese natuurgebieden: Natura 2000. Dit netwerk van beschermde gebieden moet de biodiversiteit in Europa veilig stellen en voorkomen dat beschermde planten- en dierensoorten verdwijnen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen.   

    Implementatie in de Wet natuurbescherming

    De Wet natuurbescherming heeft, in lijn met de Europese systematiek, een afdeling voor soortbescherming en een afdeling voor gebiedsbescherming. Bij soortenbescherming gaat het over regels die zien op de bescherming van specifieke diergroepen. De gebiedsbescherming beoogt zeker te stellen dat de gebieden waar deze soorten voorkomen – bijvoorbeeld de Wadden – afdoende worden beschermd. 

    De gebiedsbescherming door de Wet natuurbescherming ziet ook op het reduceren van stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden. Het bleek dat een groot aantal van de Nederlandse Natura 2000 gebieden al te kampen heeft met een overbelasting aan stikstofdepositie. Dat leverde de overheid veel hoofdbrekens op. De instandhoudingsdoelstellingen van de Wet natuurbescherming vormden een belemmering voor economische activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. En dat zijn er heel veel (veehouderij, verkeer, woningbouw, industrie, recreatie). Nederland zat (grotendeels) op slot. 

    Programma Aanpak Stikstof

    Om deze impasse te doorbreken is de PAS (Programma Aanpak Stikstof 2015-2021) geïntroduceerd. Het programma beoogt enerzijds de verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden te voorkomen en op termijn de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren. Anderzijds wordt getracht ruimte te bieden aan wenselijk geachte economische ontwikkelingen.  Het PAS voorziet in een beoordelingskader voor de toetsing van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming die zien op activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.  

    Zo probeerde de wetgever de kool en de geit te sparen, ondanks dat het hier geen beschermde dier- of plantensoorten betreft. De vraag was natuurlijk: kan dit wel? Is dit nog steeds in lijn met de Europese richtlijnen of vormt de PAS hier een inbreuk op? In het laatste geval zouden de regels niet richtlijnconform zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving en daardoor in strijd zijn met de Habitatrichtlijn. 

    Prejudiciële vragen Afdeling

    De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in zijn uitspraak van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259) een aantal prejudiciële vragen voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. In het kort kwamen deze vragen erop neer of het beoordelingskader zoals in Nederland geïntroduceerd met de PAS verenigbaar is met artikel 6, tweede en derde lid van de Habitatrichtlijn. Wanneer het Hof deze vraag ontkennend zou beantwoorden zou dit grote gevolgen hebben. Inmiddels waren er duizenden vergunningaanvragen in behandeling die uitgingen van de geldigheid van de PAS. Konden deze vergunningen dan verleend worden?

    Conclusie AG HvJ en gevolgen voor de Nederlandse praktijk

    Op 25 juli 2018 heeft de Advocaat Generaal van het Hof van Justitie een conclusie genomen over de vragen van de ABRvS. Hoewel een dergelijke conclusie voor het Hof niet bindend is, vormt het wel een belangrijke indicatie voor de wijze waarop het Hof de vragen zal beantwoorden.

    De conclusie geeft hoop, maar doet ook vrezen. De AG acht het systeem waarbij geen vergunning is vereist voor ontwikkelingen die een zo kleine bijdrage leveren aan de stikstofdepositie op beschermde gebieden dat deze van geen invloed zijn, geoorloofd. Strenger is de AG voor de praktijk dat maatregelen die leiden tot vermindering van stikstofdepositie mogen worden benut voor het vergunnen van activiteiten die stikstofdepositie tot gevolg hebben: het zogenaamde "opvullen". Dat is volgens de AG alleen toegestaan wanneer de depositie onder de drempelwaarde blijft waarbij gebieden worden aangetast. Voor veel Nederlandse gebieden is dat nu niet het geval.

    In zijn conclusie geeft de AG ook een opening voor een geheel andere benadering dan de PAS. Wanneer er geen alternatieven zijn voor een beoogde ontwikkeling, er sprake is van dringende redenen van groot openbaar belang en er compenserende maatregelen worden getroffen, zouden ontwikkelingen ondanks de hoge stikstofdepositie doorgang kunnen vinden.

    Het zijn criteria die veel ruimte openlaten voor discussie. Het is dan ook maar de vraag of de Nederlandse praktijk van vergunningverlening hiermee geholpen is.

    Meer informatie

    Voor vragen kunt u contact opnemen met Cees Kniestedt.