Waarmee kunnen wij u helpen?

    Artikel

    In de klem tussen Wzd en Wvggz

  • NL
  • Er bestaat een nijpend accommodatieprobleem voor personen met zogenoemde 'multi-problematiek'. Dit zijn personen met zowel een psychische stoornis als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Het tekort aan de Wzd-accommodaties is zodanig dat rechters toestemming geven aan personen die oorspronkelijk vallen onder de Wzd om in een Wvggz-accommodatie te verblijven. Vraag is echter, hebben rechters hier wel de bevoegdheid toe?

    Inleiding

    In een uitspraak van 30 april 2021 van de Rechtbank Den Haag draaide het om de vraag of een accommodatie bedoeld voor personen die vallen onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg ("Wvggz") gebruikt mag worden om een gebrek aan accommodatie voor personen die vallen onder de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten ("Wzd") op te lossen.[1]  

    De rechtbank oordeelde over een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor een man met een lichte verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis en een psychotische stoornis, waarbij het niet goed mogelijk is om de verschillende stoornissen van elkaar te onderscheiden (de zogenoemde 'multi-problematiek'). De man verbleef op het moment van de uitspraak in een Wvggz-accommodatie. Ondanks dat de behandelaar meende dat de man niet in de psychiatrie thuishoort, en daarom geen zorgmachtiging zou moeten krijgen, werd deze toch verleend door de rechter voor de duur van één jaar. De reden hiervoor was dat er geen passende plek in een Wzd-accommodatie beschikbaar was.

    Mag de rechter de Wvggz toepassen – waar eigenlijk de Wzd van toepassing is – om het probleem van een tekort aan Wzd-accommodaties te verhelpen? De vervolgvraag is of de nieuwe wetswijzigingen van de Wvggz en Wzd hiervoor een mogelijke oplossing bieden. Wij behandelen hierna beide vragen. 

    Juridisch kader

    Mag de rechter de Wvggz en Wzd voor elkaar inwisselen bij een tekort aan plaatsen?
    De Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) is vanaf 1 januari 2020 vervangen door de Wvggz en de Wzd. De Wvggz bevat regels voor het verlenen van verplichte zorg op maat voor mensen met een psychische aandoening. De Wzd bevat regels voor onvrijwillige zorg en onvrijwillige opname die specifiek gelden voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie. 

    Uit de jurisprudentie blijkt dat het niet de eerste keer is dat een rechter de Wvggz toepast – ondanks dat de Wzd meer geschikt is – als (nood)oplossing voor het accommodatieprobleem van cliënten met multi-problematiek.[2] Rechtvaardiging voor deze juridische u-bocht zou volgens de rechters liggen in twee gronden. Allereerst het feit dat het ernstige nadeel waarvoor onvrijwillige zorg nodig is mede wordt veroorzaakt door een psychische stoornis. Ten tweede dat er in de geboden zorg een mate van continuïteit vereist is die deze keuze rechtvaardigt. In de literatuur worden vraagtekens gesteld bij deze u-bocht. Hoewel deze redenering van de rechters goed bedoeld lijkt te zijn, mist deze een wettelijke grondslag.[3] 

    Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er slechts één wettelijk regime van toepassing verklaard kan worden; of de Wvggz of de Wzd. De wetgever stelt dat voor een keuze tussen de regimes bij elke cliënt moet worden onderzocht of sprake is van multi-problematiek, en zo ja, welke stoornis primair is. Het is aan de ter zake kundige arts dit te bepalen.[4] De arts baseert zijn oordeel op de stand van de wetenschap en de praktijk. De vraag of iemand onder de Wzd of de Wvggz komt te vallen maakt geen onderdeel uit van deze afweging.[5] De arts geeft een inhoudelijk oordeel en dit oordeel bepaalt – ook voor de rechter – of de Wzd of Wvggz van toepassing is. 

    De keuze van de rechter om – op basis van een gebrek aan plekken – van regime te wisselen sluit niet aan bij dit criterium. Bovendien is het de vraag of de specifieke zorgbehoefte van de client op deze wijze voorop wordt gesteld en of de Wzd locatie voldoende geëquipeerd is om in die zorgbehoefte(n) te voldoen. 

    Biedt de recent aangenomen wijziging van de Wvggz en Wzd soelaas?
    De vraag is vervolgens of het aangenomen voorstel tot wijziging van Wvggz en de Wzd ("het wetsvoorstel") wel de gewenste wettelijke grondslag aan de rechters biedt.[6] Uit de parlementaire stukken volgt namelijk dat de wens bestaat duidelijkheid te verschaffen over de samenloop van de wetten.[7] Zo wordt opgemerkt dat het van belang is om de samenloop tussen de beide wetten te verbeteren. Tijdens de internetconsultatie van het wetsvoorstel is ook expliciet aan veldpartijen gevraagd naar oplossingen voor problemen rondom de samenloop tussen beide wetten, maar dit heeft niet geleid tot uitvoerbare en breed gedragen voorstellen. Hoe te handelen bij een tekort aan plaatsen krijgt verder geen handvatten. De regering volstaat met aan te geven dat zij betrokken is en met alle betrokken partijen in gesprek blijft om oplossingen voor de genoemde problemen te verkennen. 

    Conclusie

    Het lijkt erop dat het inwisselen van de Wzd voor de Wvggz bij een tekort aan plaatsen op dit moment gebeurt zonder een goede wettelijke grondslag. Welk regime van toepassing is zou de logische uitkomst moeten zijn van een inhoudelijke, medische beoordeling; niet van een tekort aan geschikte plaatsen. Dat de rechters hier tot nu toe de gaten dichten valt te prijzen, maar maakt het systeem kwetsbaar. Een echte oplossing moet ofwel komen van de wetgever die de regimewissel bij een tekort aan plaatsen juridisch mogelijk maakt, ofwel van de zorgverzekeraars/zorgkantoren die met de zorgaanbieders meer plaatsen realiseren. Daar hangt ongetwijfeld een prijskaartje aan, maar dat rechtvaardigt niet dat het probleem nu bij de rechtspraak wordt gelegd.


    [1] Rechtbank Den Haag 30 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4547. (m.nt. E. Plomp; JGz 2021/66)

    [2] Zie noot van E. Plomp (JGz 2021/68), zij verwijst naar Rechtbank Gelderland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:4223; Rechtbank Oost-Brabant 27 januari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:471; Rb. Zeeland-West-Brabant 14 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1965 en Rb. Midden-Nederland 22 juli 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2296 en zie ook Hoge Raad 10 juli 2021, ECLI:NL:HR:2020:1271.

    [3] Zie noot van E. Plomp (JGz 2021/68) bij Rechtbank Gelderland 12 oktober 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5920.

    [4] Kamerstukken I 2017/18, 32399, D, p. 24.

    [5] Kamerstukken I 2017–2018, 32399, D, (MvA), p. 33.

    [6] In navolging op de instemming van de Tweede Kamer op 8 juni 2021 heeft de Eerste Kamer op 28 september 2021 ook ingestemd met het wetsvoorstel. De datum van inwerkingtreding moet bepaald worden in een apart besluit.

     [7] Zie verder over samenloopproblematiek o.a.: Verenso luidt noodklok over problemen door samenloop Wzd en Wvggz, verenso.nl; Samenloop Wet zorg en dwang en Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, eldermans-geerts.nl; M. Jansen, ‘Beschouwing bij de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 24 februari 2020’, Jggzr 2020, p. 33 en 34.