Waarmee kunnen wij u helpen?

    Artikel

    Wenk Rechtspraak Contractenrecht 2015/21

    Wat zijn de gevolgen voor beëindiging van een franchiseovereenkomst wanneer tevens bedrijfsruimte van de franchisegever wordt gehuurd?

    Wenk

    Een franchiseovereenkomst waarbij de franchisegever ook bedrijfsruimte aan de franchisenemer verhuurt om de franchiseformule te exploiteren, is geen onbekend fenomeen. De gevolgen van een dergelijke gemengde overeenkomst, met name wanneer het gaat om de beëindiging van zo'n overeenkomst, vormen dan ook geregeld voer voor (lagere) rechtspraak. Uit die rechtspraak blijkt dat in dergelijke gevallen de hoofdregel van art. 6:215 BW wordt gehanteerd: voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing (cumulatieleer). Overigens is men het er in de literatuur en in de rechtspraak over eens dat dit artikel niet alleen toepassing vindt bij twee door de wet geregelde overeenkomsten, maar ook bij een door de wet geregelde overeenkomst (zoals een huurovereenkomst) die samenloopt met een onbenoemde overeenkomst (zoals een franchiseovereenkomst).

    Gebruik van de hoofregel in de samenloopregeling in geval van de combinatie franchise en huur leidt ertoe dat op de franchiseovereenkomst het algemeen verbintenissenrecht van toepassing is, terwijl op de huurovereenkomst de dwingendrechtelijke huurbepalingen van toepassing zijn. Die dwingendrechtelijke huurbepalingen brengen onder andere met zich mee dat partijen de overeenkomst in beginsel niet buitengerechtelijk mogen ontbinden (art. 7:231 lid 1 BW). Dit kan het ongewenste effect hebben dat een huurovereenkomst blijft doorlopen, terwijl de franchiseovereenkomst bijvoorbeeld wel buitengerechtelijk is ontbonden (wat op grond van het algemene verbintenissenrecht immers is toegestaan).

    In het onderhavige arrest van het Hof Den Haag heeft het hof geoordeeld dat het franchise- en huuraspect zo nauw met elkaar samenhangen, dat op de gehele overeenkomst – dus ook op het franchiseaspect – de dwingendrechtelijke huurbepalingen van toepassing zijn. Een praktische toepassing van de hoofdregel van art. 6:215 BW, die voorkomt dat de huurovereenkomst in stand blijft terwijl de franchiseovereenkomst is beëindigd.

    De hoofdregel van art. 6:215 BW kent (uiteraard) ook een uitzondering: de cumulatieleer is niet van toepassing indien de aard van de overeenkomst zich daartegen verzet (absorptie). Deze absorptieleer was onderwerp van de uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch (zie RCR 2015/22). Van absorptie kan sprake zijn indien de ene overeenkomst zozeer is ingebed en afhankelijk is gesteld van de andere overeenkomst, dat die laatste prevaleert boven de afhankelijke overeenkomst. In de rechtspraak is te zien dat daarvan regelmatig sprake is in geval van een zorgovereenkomst waarin een huurcomponent is opgenomen: de huurbepalingen worden dan buiten toepassing gelaten omdat die onverenigbaar zouden zijn met de zorgbepalingen.

    Tot eenzelfde oordeel was de Tilburgse kantonrechter in eerste aanleg gekomen: het leer- en onderwijselement van de participatieovereenkomst zou duidelijk overheersend zijn en zou niet verenigbaar zijn met toepassing van de huurbeschermingsbepalingen. Het hof komt echter tot een andere conclusie. Of sprake is van de uitzondering van art. 6:215 BW (absorptie) moet volgens het hof beoordeeld worden aan de hand van de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst en de inhoud en strekking van de overeenkomst in onderling verband bezien, waarbij gelet moet worden op alle omstandigheden van het geval. Een tekstuele uitleg van de overeenkomst is niet doorslaggevend in deze beoordeling, aldus het hof. Partijen kunnen immers niet contractueel dwingend recht uitsluiten. Voor wat betreft de bedoeling van partijen stelt het hof dat de innerlijke bedoeling niet van betekenis is als deze niet overeenkomt met de praktische uitwerking van de overeenkomst. Met andere woorden, ook al bedoelen partijen geen huurovereenkomst te sluiten, maar wordt er feitelijk wel (bedrijfsruimte) gehuurd, dan is er sprake van een huurovereenkomst.

    Rest de aard, inhoud en strekking van de overeenkomst. In dat kader overweegt het hof dat het huurrecht alleen terzijde geschoven zou kunnen worden indien van een normale en gebruikelijke exploitatie van een huurruimte nog maar nauwelijks sprake was. Dat was hier niet het geval: het betrof een gewone exploitatie van een brasserie, die voor het publiek vanaf de openbare weg toegankelijk was, waarvoor (zij het een commercieel lagere) huur werd betaald. Voor de praktijk betekenen deze uitspraken dat partijen erop bedacht moeten zijn dat het (dwingendrechtelijke) huurregime van toepassing zal zijn op hun overeenkomst, wanneer daarin ook een huurcomponent is opgenomen. In dat geval kan de verhuurder (franchisegever) de (franchise)overeenkomst slechts opzeggen met inachtneming van het dwingendrechtelijke huurregime. Dat wil zeggen, geen buitengerechtelijke ontbinding, maar beëindiging door de rechter (hetzij achteraf, hetzij vooraf door een verzoek voor een afwijkend beding).

    Via onderstaande link kunt u de volledige publicatie lezen.

    Download